|
|
||||||||||
|
|
|
[home] - [overzicht financiën]
Artikel 1 Er wordt een gemeentebelasting geheven op de niet-bebouwde percelen gelegen in een niet-vervallen verkaveling. Als niet-bebouwd perceel wordt beschouwd elk perceel, als zodanig vermeld in de verkavelingsvergunning, waarop de oprichting van een voor bewoning bestemd gebouw niet is aangevat op 1 januari van het belastingjaar. Artikel 2 De belasting is verschuldigd door de eigenaar op 1 januari van het belastingjaar, in geval van overdracht onder levenden, wordt de hoedanigheid van eigenaar beoordeeld op de datum van de authentieke akte tot vaststelling van de overdracht. Artikel 3 Het bedrag wordt vastgesteld op 7,00 EUR per strekkende meter lengte van het perceel palende aan de straat, evenwel met een minimale aanslag van 125,00 EUR per bouwperceel als zodanig vermeld in de verkavelingsvergunning. Artikel 4 Met de betrekking tot de percelen gelegen in verkavelingen waarvoor de eerste maal een verkavelingsvergunning werd of wordt afgegeven, is de houder van die vergunning gedurende drie jaar van de belasting ontheven :
Artikel 5 Van de belasting zijn vrijgesteld :
Artikel 6 Worden beschouwd als kinderen ten laste van de aanvrager, tot vaststelling van de in het voorgaand artikel bedoelde vrijstelling, de kinderen waarvoor de aanvrager de wettelijke gezinsvergoedingen geniet op 1 januari van het belastingjaar. Artikel 7 De belastingplichtige ontvangt vanwege het gemeentebestuur een aangifteformulier dat door hem, behoorlijk ingevuld en ondertekend, vóór de erin vermelde vervaldatum moet worden teruggestuurd. Artikel 8 Bij gebrek aan aangifte binnen de in artikel 7 vastgestelde termijn of bij onvolledige, onjuiste of onnauwkeurige aangifte wordt de belastingplichtige ambtshalve ingekohierd volgens de gegevens waarover het gemeentebestuur beschikt, onverminderd het recht van bezwaar en beroep. Artikel 9 De overeenkomstig artikel 8 ambtshalve ingekohierde belasting wordt verhoogd met een bedrag gelijk aan de verschuldigde belasting en in geval van herhaling binnen het jaar met een verhoging die gelijk is aan het dubbele ervan. Artikel 10 De belasting en de eventuele verhoging wordt ingevorderd bij middel van een kohier dat periodiek vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het College van Burgemeester en Schepenen. Artikel 11 De belasting moet betaald worden binnen twee maanden na de toezending van het aanslagbiljet. Artikel 12 De belastingplichtige kan tegen deze belasting en eventueel opgelegde verhoging een bezwaar indienen bij het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente. Het bezwaar moet worden gemotiveerd en op straffe van nietigheid schriftelijk worden ingediend. Artikel 13 Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van de wet van 24.12.1996, zijn de bepalingen van titel VII (Vestiging en invordering van de belastingen), hoofdstukken 1 (algemene bepalingen), 3 (onderzoek en controle), 4 (bewijsmiddelen van de administratie), 7 tot 10 (rechtsmiddelen; invordering van de belasting waaronder de nalatigheids- en moratoriuminteresten; rechten en voorechten van de schatkist; strafbepalingen) van het Wetboek van de inkomstenbelastingen en de artikelen 126 tot 175 van het uitvoeringsbesluit van dit Wetboek (betreft o.m. de verjaring en de vervolgingen) van toepassing voor zover zij met name niet de belastingen op de inkomsten betreffen. Artikel 14 Dit reglement treedt in werking vanaf heden. Artikel 15 Deze beslissing wordt voor goedkeuring aan de toezichthoudende overheid overgemaakt. (gemeenteraad 2 januari 2007) |
|
|
||||||
| © 1999-2012 : gemeente Kampenhout (1910) Gemeentehuisstraat 16 - info@kampenhout.be webmaster@kampenhout.be |
webdesign: highgate57 Bestand: pagina laatst bijgewerkt op: 26-04-2012 |