vergroten originele tekstgrootte pagina afdrukken
dinsdag 23-01-2018
Zoek nieuws UiT-kalender vacatures loket fotoalbums site info Veel gestelde vragen admin e-tickets
Belastingen & opcentiemen, retributies, tarieven, toelagen,...

Belasting - Niet-bebouwde percelen in een niet-vervallen verkaveling

Het aangifteformulier is beschikbaar via het digitaal loket of door hier te klikken.

Artikel 1

Er wordt een gemeentebelasting geheven op de niet-bebouwde percelen gelegen in een niet-vervallen verkaveling. Als niet-bebouwd perceel wordt beschouwd elk perceel, als zodanig vermeld in de verkavelingsvergunning, waarop de oprichting van een voor bewoning bestemd gebouw niet is aangevat op 1 januari van het belastingjaar.

Artikel 2

De belasting is verschuldigd door de eigenaar op 1 januari van het belastingjaar, in geval van overdracht onder levenden, wordt de hoedanigheid van eigenaar beoordeeld op de datum van de authentieke akte tot vaststelling van de overdracht.
In geval van mede-eigendom, is ieder mede-eigenaar belastingschuldig voor zijn wettelijk deel.

Artikel 3

Het bedrag wordt vastgesteld op 7,00 EUR per strekkende meter lengte van het perceel palende aan de straat, evenwel met een minimale aanslag van 125,00 EUR per bouwperceel als zodanig vermeld in de verkavelingsvergunning.
Wanneer een perceel paalt aan twee of meer straten, is de langste gevellengte langs één van de straten de grondslag van de belastingberekening.
Indien het een hoekperceel betreft, is de belastbare lengte gelijk aan de langste van de rechte gevellengten, vermeerderd met de helft van de afgesneden of afgeronde hoek.

Artikel 4

Met de betrekking tot de percelen gelegen in verkavelingen waarvoor de eerste maal een verkavelingsvergunning werd of wordt afgegeven, is de houder van die vergunning gedurende drie jaar van de belasting ontheven :

  • vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op de afgifte van de vergunning, wanneer de verkaveling geen werken omvat
  • vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op het einde van de opgelegde werken en verplichtingen in de andere gevallen. Het einde van de werken wordt vastgesteld door het College van Burgemeester en Schepenen Wanneer echter de werken door de verkavelaar worden uitgevoerd, geldt de vrijstelling slechts gedurende maximaal drie jaar vanaf het jaar dat volgt op de afgifte van de vergunning.
    Wanneer de verkaveling in fasen mag worden uitgevoerd, zijn de bepalingen van dit artikel "mutatis mutandis" op de kavels van elke fase van toepassing.

Artikel 5

Van de belasting zijn vrijgesteld :

  • de natuurlijke- en rechtspersonen die eigenaar zijn van één enkel onbebouwd perceel, bij uitsluiting van enig ander onroerend goed gelegen in België of het buitenland. De verleende vrijstelling geldt slechts gedurende de vijf kalenderjaren die volgen op de verwerving van het goed
  • De ouders met kinderen ten laste, beperkt tot één onbebouwd perceel per kind ten laste. De verleende vrijstelling geldt slechts gedurende de vijf kalenderjaren die volgen op de verwerving van het goed
  • de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij en de door de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij erkende sociale huisvestingsmaatschappijen
  • De verkavelaars, indien de verkavelingsvergunning geen werken omvat, en dit gedurende het jaar volgend op het jaar waarin de verkavelingsvergunning werd toegekend
  • De verkavelaars, indien de verkavelingsvergunning werken omvat en dit gedurende het jaar waarin het attest bedoeld in artikel 101 §3 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening werd toegekend
  • de eigenaars van percelen, die ingevolge de bepalingen van de wet op de landpacht, niet voor bebouwing kunnen worden bestemd

Artikel 6

Worden beschouwd als kinderen ten laste van de aanvrager, tot vaststelling van de in het voorgaand artikel bedoelde vrijstelling, de kinderen waarvoor de aanvrager de wettelijke gezinsvergoedingen geniet op 1 januari van het belastingjaar.

Artikel 7

De belastingplichtige ontvangt vanwege het gemeentebestuur een aangifteformulier dat door hem, behoorlijk ingevuld en ondertekend, vóór de erin vermelde vervaldatum moet worden teruggestuurd.
De belastingplichtige die geen aangifteformulier heeft ontvangen, is gehouden, uiterlijk op 31 januari van het belastingjaar, aan het gemeentebestuur de voor de aanslag noodzakelijke gegevens ter beschikking te stellen.

Artikel 8

Bij gebrek aan aangifte binnen de in artikel 7 vastgestelde termijn of bij onvolledige, onjuiste of onnauwkeurige aangifte wordt de belastingplichtige ambtshalve ingekohierd volgens de gegevens waarover het gemeentebestuur beschikt, onverminderd het recht van bezwaar en beroep.
Vooraleer over te gaan tot de ambtshalve vaststelling van de belasting, betekent het College van Burgemeester en Schepenen aan de belastingplichtige, per aangetekend schrijven, de motieven om gebruik te maken van deze procedure, de elementen waarop de aanslag is gebaseerd evenals de wijze van bepaling van deze elementen en het bedrag van de belasting.
De belastingplichtige beschikt over een termijn van dertig dagen volgend op de datum van verzending van de betekening om zijn opmerkingen schriftelijk voor te dragen.

Artikel 9

De overeenkomstig artikel 8 ambtshalve ingekohierde belasting wordt verhoogd met een bedrag gelijk aan de verschuldigde belasting en in geval van herhaling binnen het jaar met een verhoging die gelijk is aan het dubbele ervan.
Het bedrag van deze verhoging wordt ingekohierd.

Artikel 10

De belasting en de eventuele verhoging wordt ingevorderd bij middel van een kohier dat periodiek vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het College van Burgemeester en Schepenen.

Artikel 11

De belasting moet betaald worden binnen twee maanden na de toezending van het aanslagbiljet.

Artikel 12

De belastingplichtige kan tegen deze belasting en eventueel opgelegde verhoging een bezwaar indienen bij het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente. Het bezwaar moet worden gemotiveerd en op straffe van nietigheid schriftelijk worden ingediend.
Het moet, op straffe van verval, worden ingediend binnen een termijn van zes maanden vanaf de verzending van het aanslagbiljet waarop de bezwaartermijn vermeld staat of van de kennisgeving (geval van kohierbelasting) of binnen een termijn van zes maanden vanaf de datum van de inning van de belastingen (geval van contantbelasting).

Artikel 13

Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van de wet van 24.12.1996, zijn de bepalingen van titel VII (Vestiging en invordering van de belastingen), hoofdstukken 1 (algemene bepalingen), 3 (onderzoek en controle), 4 (bewijsmiddelen van de administratie), 7 tot 10 (rechtsmiddelen; invordering van de belasting waaronder de nalatigheids- en moratoriuminteresten; rechten en voorechten van de schatkist; strafbepalingen) van het Wetboek van de inkomstenbelastingen en de artikelen 126 tot 175 van het uitvoeringsbesluit van dit Wetboek (betreft o.m. de verjaring en de vervolgingen) van toepassing voor zover zij met name niet de belastingen op de inkomsten betreffen.

Artikel 14

Dit reglement treedt in werking vanaf heden.

Artikel 15

Deze beslissing wordt voor goedkeuring aan de toezichthoudende overheid overgemaakt.


(gemeenteraad 2 januari 2007)

pagina afdrukkenpagina afdrukken
 
home [ALT-S: Sitemap]   -  PROCLAIMER
[ALT-V: Vorige pagina] [ALT-T: Top pagina]
 
  © 1999-2018 : gemeente Kampenhout (1910)  
Gemeentehuisstraat 16 - info@kampenhout.be
webmaster@kampenhout.be
webdesign: highgate57
Bestand:
pagina laatst bijgewerkt op: 27-11-2015