Tentoonstelling HOMMEL (2011-2012)

De tentoonstelling kan u bezoeken tijdens volgende openingsuren:

2011
zondag, 4 december 2011 van 14u tot 17u
dinsdag, 6 december 2011 van 9u tot 19u
zaterdag, 10 december 2011 van 14u tot 17u
zondag, 11 december 2011 van 14u tot 17u
dinsdag, 13 december 2011 van 9u tot 19u
zaterdag, 17 december 2011 van 14u tot 17u
zondag, 18 december 2011 van 14u tot 17u
dinsdag, 20 december 2011 van 9u tot 19u
zaterdag, 24 december 2011 gesloten
zondag, 25 december 2011 gesloten
dinsdag, 27 december 2011 gesloten
zaterdag, 31 december 2011 gesloten
2012
zondag, 1 januari 2012 gesloten
dinsdag, 3 januari 2012 van 9u tot 16u
zaterdag, 7 januari 2012 van 14u tot 17u
zondag, 8 januari 2012 van 14u tot 17u
dinsdag, 10 januari 2012 van 9u tot 19u
zaterdag, 14 januari 2012 van 14u tot 17u
zondag, 15 januari 2012 van 14u tot 17u
Emiel Van den Bruel (1904-1983) uit Itegem, in 1968, met zijn zelfgemaakte blokviool

Herkomst en verspreiding van de "Hommel" in Europa

De hommel is een variant van de Europese citertypes. Hij heeft meestal een balk- of trapeziumvormige klankkast, met soms een toegevoegde resonator. Over de hele lengte lopen een aantal melodie- en begeleidingssnaren die aangetokkeld worden met een plectrum of met de vingers van de rechterhand. De melodiesnaren lopen over een schaal van metalen frets en zijn meestal gelijkgestemd, maar bij sommige modellen zijn er veel meer mogelijkheden. Door de melodiesnaren met een staafje of met de vingers van de linkerhand tegen een van de frets te drukken, bekomt men de gewenste toon. Voor de begeleidingssnaren zijn verschillende stemmingen bekend.

Het instrument is vermoedelijk ontstaan uit het middeleeuwse monochord dat diende om de toonafstanden te bepalen. De eerste modellen die hieruit evolueerden, verwijzen naar Scandinavië. Zo vindt men de oudste afbeelding op een fresco van omstreeks 1560 in de kerk van Rynkeby, op het Deense eiland Fyn. Het is vooral in Noorwegen dat het instrument een rol van betekenis speelt. Ook in Centraal-Europa en vooral in Hongarije zijn tal van varianten verspreid. In Duitsland is de hommel al eeuwen bekend. De befaamde muziekgeleerde Michael Praetorius geeft er een beschrijving van in zijn Syntagma Musicum (1619). Sedert vele decennia zijn het de sterk ontwikkelde Zither-types die in heel het Duitstalige Alpengebied een belangrijke plaats innemen. Hun melodiesnaren worden op verschillende toonhoogten gestemd en alleen met de vingers bespeeld, sommige voorbeelden hebben zelfs een veertigtal begeleidingssnaren. Rond 1950 werd de Zither ook elders populair dankzij het prachtige solonummertje van de Weense virtuoos Anton Karas in de film De derde man.

In Frankrijk is de hommel verspreid in de Vogezen, de streek van Cambrai en Frans-Vlaanderen. In Nederland was hij niet erg populair, maar er bleven wel een paar historische exemplaren bewaard. Het instrument komt niet voor in Rusland, Zuid-Europa en evenmin in Groot-Brittannië en Ierland. Maar via Duitse en Scandinavische immigranten raakte het wel verspreid in de Verenigde Staten, vooral dan in de Appalachen. In Zweden, IJsland en de Baltische staten kent men ook hommeltypes die alleen maar een melodiesnaar hebben die aangestreken wordt met een strijkstok.

De hommeltraditie in België

In ons land was de hommel al bekend in de tweede helft van de 17de eeuw. Een exemplaar uit die tijd werd vroeger bewaard in het stadsmuseum van Ieper, maar werd vernietigd in de Eerste Wereldoorlog. Het was uitzonderlijk groot (151 cm lang) en zou gebruikt geweest zijn in de kerk van Boezinge bij Ieper om godsdienstige liederen te begeleiden. Er zijn nog een paar voorbeelden bekend uit de 18de en 19de eeuw, maar verder wordt de hommel in geen enkele Vlaamse of Waalse bron vermeld of afgebeeld.

Tussen beide wereldoorlogen kende het instrument een ruime verspreiding. Het werd vooral vervaardigd door knutselaars en meubelmakers die zo hun vakmanschap konden tonen. De meeste voorbeelden hebben een rechthoekige of trapeziumvormige klankkast die soms gemonteerd is op een toegevoegde resonator. Het schroevenstuk is vaak mooi uitgesneden, terwijl het bovenblad doorgaans voorzien is van figuurrijke klankgaten: een hartje, lier, S-vorm of een anker, wat verwijst naar het gebruik door binnenschippers. De snaren worden meestal aangespannen met metalen stempennen.

De term hommel is gebruikelijk in de muziekwetenschap. In West- en Oost-Vlaanderen noemt men het instrument epinet of spinet(te), afgeleid van het Franse épinette. In de Kempen en het Hageland zijn kloempviool, kloonviool en blokviool het meest verspreid en in Midden-Brabant zegt men vlier. Deze term zou afgeleid zijn van het Oudfranse filière, wat verwijst naar een zolderbalk en zo ook naar de vorm van het instrument. In Wallonië wordt het instrument épinette genoemd, maar in het Naamse zegt men ook bûche de Meuse en in het Luikse épinette des bateliers (binnenschippers).

De kloempviool, een instrument voor de gewone man

De Hagelandse kloempviool is een van de meest archaïsche hommels van heel Europa. Ze was vooral verspreid in het gebied rond Haacht, Aarschot en Diest en in de Zuiderkempen. De belangrijkste productieplaats was Testelt (Scherpenheuvel-Zichem), waar ze in serie gemaakt werden in het atelier van Vincentius Geyskens (1886-1934), die ze verkocht op jaarmarkten en er mee rondleurde. Aanverwante modellen werden ook vervaardigd in Aarschot, Baal en Tessenderlo. De klankkast van deze instrumenten bestaat uit een zware rechthoekige bodem van dennenhout van 3 tot 4 cm dik. Langs de randen zijn dunne houten latjes gespijkerd waarop een bovenblad van populierenhout bevestigd is. Het schroevenstuk en de zijkanten zijn meestal zwart gekleurd. Kort voor 1980 werd dit Hagelandse model opnieuw gebouwd door Isidoor Arron uit Averbode.

De meeste voorbeelden hebben een drielobbig of koepelvormig schroevenstuk met 16 schuin geplaatste oogschroeven. In het bovenblad zijn vier tot zes klankgaatjes aangebracht en de toonschaal bestaat meestal uit 19 frets van messingdraad. De snaren zijn van staaldraad en als volgt opgesteld: vier melodiesnaren en drie reeksen van vier begeleidingssnaren, waarvan de laatste telkens omwonden is met messingdraad. De melodiesnaren zijn in unisono gestemd op do, re of sol. Bij de begeleidingssnaren zijn de eerste drie gewoonlijk gelijkgestemd met de melodiesnaren en klinkt de omwonden snaar telkens een octaaf lager. Sommige spelers stemden de drie koren tot één volmaakt akkoord van de eerste of de vierde graad, maar men kent nog andere mogelijkheden.

De toonschaal van deze hommels verloopt diatonisch, maar met een bijkomende halve toon tussen de 7de en de 8ste graad: do-re-mi-fa-sol-la-si-si-do. Dit biedt de mogelijkheid om melodieën te spelen in de authentieke modus (1ste graad als tonica) en in de plagale modus (4de graad als tonica). Het instrument wordt op een tafel gelegd en meestal rechtstaand bespeeld. Met een rond houten staafje dat men in de linkerhand houdt, drukt men de melodiesnaren tegen de gewenste fret. Voor het aantokkelen gebruikt men een plectrum van balein of kunststof en soms ook een stukje hard leder.

Naargelang de plaats wordt het Hagelandse hommeltype kloempviool, kloonviool, kloenkviool of blokviool genoemd. In Aarschot kent men ook de spotnaam krabkas.

© Hubert Boone

Hagelandse Kloempviool, Langdorp of Aarschot, ca. 1925.
Hagelandse Kloempviool,
Langdorp of Aarschot,
ca. 1925.
Blokviool, vervaardigd in 1923 door Emiel Van den Bruel uit Itegem.
Blokviool,
Itegem
1923
Vlier, vervaardigd in 1975 in het atelier van Elie Boone in Nederokkerzeel.
Vlier,
Nederokkerzeel
1975
Hommelspeelster Bertha Cleynhens
Hommelspeelster
Bertha Cleynhens

Meer info omtrent de tentoonstelling van de hommel: 016/65 99 39 - BCM@kampenhout.be